Zo werkt een API
API staat voor application programming interface. Een programma met een API biedt een vaste set vragen en opdrachten aan die andere software mag gebruiken. Een mens werkt met het scherm, andere software werkt met de API. Het Mozilla Developer Network noemt een API daarom een soort contract tussen het programma en wie het gebruikt (bron: uitleg over API's van MDN).
Een workflow stuurt bijvoorbeeld een vraag naar de API van je boekhoudpakket: geef de openstaande facturen van deze klant. Het pakket stuurt de gegevens terug in een vaste vorm. Zo kan de workflow ermee verder, zonder dat iemand iets overtypt.
De leverancier van het pakket bepaalt wat je via de API kunt. Staat iets niet in de API, dan kan een koppeling het ook niet.
Waar je op let bij een API
Voor de meeste API's heb je een sleutel of een login nodig. Die sleutel geeft toegang tot je gegevens, dus behandel hem als een wachtwoord. Bewaar hem in een kluis, buiten mail en losse bestanden, en geef hem alleen de rechten die nodig zijn.
Let ook op de grenzen die de leverancier stelt. Veel API's hebben een maximum aantal vragen per minuut. Een workflow die daar overheen gaat, krijgt een foutmelding en moet het later opnieuw proberen. Houd daarnaast bij welke versie van de API je gebruikt. Verandert de leverancier iets, dan moet de koppeling soms mee.
BegripEen koppeling is een verbinding tussen twee systemen, zodat gegevens zonder overtypen in het andere systeem komen.